Een zomerdag in Den Haag

admin
augustus 9, 2015

Ik wou dat Den Haag altijd zo uitgestorven was als nu. Het verkeer raast niet zo druk en opgejaagd door de straten. Er zijn geen files en je wordt niet van je sokken gereden als je een zebrapad wil oversteken. De stress die diep in de mensen zit ingebakken lijkt minder aanwezig. Kan het niet voor altijd zo blijven?

Mijn wijk ziet er in de zomer best heel vriendelijk uit. Op het pleintje verderop drink ik ’s ochtends vaak een kop koffie onder de bomen, bij Café Madeleine. Het is een café met kranten en een vriendelijke uitbater die zwijgend zijn terrasje overziet. Er zitten vaak mensen alleen, zoals ik. Ze genieten in stilte van de nieuwe dag. De tram, gevuld met een handjevol forensen en wat strandgangers, rijdt aan ons voorbij. Even lijkt de Haagse pauperigheid heel ver weg.Café Madeleine

In de Albert Heijn sjokt iedereen loom de boodschappen bij elkaar. Veel blote huid is zichtbaar, maar niet iedereen kan dat hebben. Ik moet voedingsmiddelen aanschaffen maar de trek wordt me ontnomen. Tenen met kalknagels in badslippers, mannenhemden die het bovenste plukje van het rughaar onthullen: ik probeer het te negeren en snel me naar de kassa.

De onbehouwen Hollander verstoort soms het zomerse, mediterrane sfeertje wat er in de zomer heerst. Alhoewel ik al wat minder wordt uitgescholden dan in de winter, kan het ook op een mooie zomerdag voorkomen dat ik zomaar uit het niets een snauw krijg. Bijvoorbeeld van een boze mevrouw met een pitbull, een haastige jongen bij de kassa of een ongeduldige meneer op de parkeerplaats: “Wat sta je daar nou? Je ziet toch dat ik er langs moet? Waarom schiet je niet op! Kutwijf!”

Als ik ’s ochtends met de hond door de straat loop, staat even verderop altijd een Indiase man in de deuropening te roken. Hij bekijkt mij dan ongegeneerd van top tot teen en begroet me vervolgens met een dikke vette glimlach. Tijdens mijn ochtendwandeling eet ik altijd mijn ontbijt en het is hem kennelijk niet ontgaan: ‘Zo, jij hebt altijd een appel in je hand, he-he-he!’ ‘Ja’, antwoord ik. ‘En u altijd een sigaretje’. ’s Middags staat de man er weer (of nog steeds, dat kan natuurlijk ook) als ik langsrijd met m’n open dak. Hij roept vrolijk ‘Hé mag ik met je mee, ha-ha-ha!’, en ik pers mijn meest beleefde glimlach eruit.

Zodra het eerste zonnestraaltje verschijnt gaat hij in zijn tuin iets timmeren of zagen.”

Als ik ’s middags weer thuiskom en parkeer, hoor ik vreemde geluiden onder de auto. Het blijkt dat ik een paar blikjes energydrink heb geplet, en even later zie ik dat ook iemand een frietbakje met mayonaise onder mijn snelbinders heeft geklemd.

Eenmaal binnen besluit ik te genieten van mijn mijn verse stapel boeken. Ik installeer me op mijn balkonnetje. Het zit altijd wat ongemakkelijk als de overburen thuis zijn, want hun balkon is ongeveer op spring-afstand, maar ik doe alsof ik ze niet zie, en zij doen hetzelfde. Ik klap mijn boek open maar wordt dan weer herinnerd aan mijn onderbuurman. Zodra het eerste zonnestraaltje verschijnt, gaat hij namelijk in zijn tuin iets zagen of timmeren. Soms doet hij ook iets met een schuurmachine. Altijd heeft hij wel een uitdagend project waar hij fluitend aan werkt terwijl de crème de la crème van het Nederlandse lied uit zijn transistorradio schalmt.

Vandaag werkt de buurman aan een metalen hekwerk, waar hij met een soort hamer heel hard op staat te rammen. TENG TENG TENG TENG! …..ik vlieg met jou naar de regenbo….. TENG TENG TENG TENG …we zijn omringd door een bloemento… TENG TENG TENG! Nou. Van lezen zal het wel niet komen vandaag. Ik roep naar de buurman hoelang hij nog bezig is met het hek. Hij antwoordt opgewekt dat het morgenmiddag heus wel klaar zal zijn.

Vrolijk doen op de netwerkborrel

admin
april 9, 2015

Ik geef bewustzijnstrainingen’, zei ze met een weeïge glimlach. Ik bleef geïnteresseerd knikken terwijl ik mijn handen in mijn zakken voelden verkrampen. Ik beet op mijn tong. Ik deed mezelf fysiek pijn tijdens dit gesprek maar ik liet niets merken. Ik keek haar vriendelijk aan en zag het kort geknipte haar, de vormeloze bloemenjurk en hoorde haar dwingende adviezen gedwee aan. ‘Zo’n training zou ook heel goed voor jou zijn want ik zie dat je een offensieve houding aanneemt.’ Ik voelde een braakje opkomen… Netwerken. Hoe doen al die mensen dat toch?

Sinds ik in de wereld van de eenpitters ben gestapt kom ik regelmatig op netwerkbijeenkomsten. Het is een noodzakelijk kwaad. Van nature zit ik het liefst alleen op mijn werkkamertje te schrijven en te lezen, dus het is wel gezond om mezelf af en toe naar buiten te sleuren. Bovendien kan netwerken business opleveren, toch? Dus toen ik net voor mezelf was begonnen ging ik voor het eerst naar zo’n netwerklunch. Ik schraapte mijn moed bij elkaar en stapte kordaat de ruimte vol ZZP’ers binnen. Wat me opviel was dat je er niet eens de kans krijg om alleen en ongemakkelijk in een hoekje te blijven staan. Ik was nog niet binnen of er werden me handen geschud, kaartjes gegeven en er werd niet om de zaken heen gedraaid: er werd gepitcht, gepresenteerd en verkocht. Maar wat, en aan wie eigenlijk?

Er waren verandermanagers die coaches trainden”

De ruimte zat vol met ZZP’ers die naarstig op zoek waren naar klanten, andere ZZP’ers in dit geval: coaches die coaches coachen, trainers die verandermanagers trainen, en verandermanagers die trainers coachen. Maar minstens even vaag als al deze bullshitjobs was mijn eigen verhaal:  ‘Ik schrijf’, vertelde ik aan één van de lifecoaches. Wat ik dan schreef? ‘Van alles’. En voor wie dan? ‘Voor mezelf. En in opdracht. Ik doe communicatie. Ik help bedrijven met dingen. Ik schrijf columns. Ik lees boeken. Eh. Dat dus’. Ik kwam erachter dat mijn ondernemersgeest nog niet tot volle wasdom was gekomen. Te midden van deze doelgerichte, spontane ondernemers voelde ik me maar een vaag schrijverstype, zonder scherpe pitch en niet in staat om een dienst te verkopen.

Ik voelde me ongemakkelijk. Ik wilde die middag geen potentiële klant zijn van een of andere zweverige coach, maar ook geen verkoper van mijn eigen warrige verhaal. Ik wilde gewoon leuke mensen ontmoeten. Dus ik besloot de mevrouw van de bewustzijnstrainingen vriendelijk doch stellig af te wimpelen. Ik zette mijn ZZP-pet af en begaf me in het feestgedruis. Ik hoorde ergens iemand zeggen: ‘…ach, monogamie is gewoon niks voor mij’, en ik schuifelde langzaamaan naar het groepje met “de leuke mensen” – (vroeger waren dat altijd de rokers). En pardoes ontmoette ik gezellige lui met een interessant verhaal. Zonder pretenties, zonder pitchpraat, zonder salestrucjes, zonder toneelspel. En uit die ontmoetingen valt geen omzet te behalen, maar wel een oprechte uitwisseling van interesses. Overigens ontving ik een week later alsnog een e-mail van de bewustzijncoach of ik misschien een cursus wilde volgen? Maar dat leek me niet nodig. Ik schrijf mijn ellende gewoon van me af, lekker veilig op papier, waar mijn offensieve lichaamstaal niet te zien is, maar wel tussen de regels door valt te lezen.